Koolhydraten

Koolhydraten (suikers) zijn snelwerkende brandstoffen. Ze houden het lichaam warm en geven energie aan de spieren om zodoende te kunnen presteren. Het is de brandstof, die altijd als eerste wordt gebruikt.

Het lichaam van ieder mens of dier kan alleen enkelvoudige suikers (monosachariden) verbranden in de spiercellen. Dat zijn de fabriekjes die van zuurstof en brandstof warmte en energie maken (fosforylyse). Voor dit proces is vitamine B6. nodig. Na verbranding blijven afvalstoffen over (zoals melkzuur).

Naast warmte en energie geven koolhydraten ook voeding aan de hersenen. Zonder deze glucose is onze duif tot niets in staat. Al die “brandstoffen” zijn in groepen te verdelen.

Monosachariden. (dextrose en fructose).
Glucose wordt ook wel dextrose of druivensuiker genoemd. Monosachariden zijn de simpelste koolhydraten.

Deze zijn weer in verschillende groepen onder te verdelen. Voor ons is het belangrijk om te weten, dat de meeste direct brandstof leveren om warm te blijven of om spierarbeid mee te verrichten.

De Disacharides. (lactose, maltose en sacharose).
Dit zijn tweevoudige suikers die eerst gesplitst moeten worden om ze te kunnen verbranden b.v. lactase uit melk en maltose uit gekiemde gerst.

Ook sacharose behoort tot deze groep. Deze komt uit wortel- en bietsuiker. Te veel lactose levert dunne mest op. We dienen daarom voorzichtig te zijn met te veel melkproducten.

De Polysacharides. (Cellulose, zetmeel en glycogeen)
Dit is een hele grote groep, soms wel 1.000 tot 1 miljoen verschillende soorten suikers bij elkaar. Ze behoren tot de zetmeelgroep en bevinden zich hoofdzakelijk in granen en peulvruchten, zoals mais erwten, gerst en tarwe.

Er is ook nog een cellulosegroep. Deze ruwe celstof helpt om de verschillende soorten koolhydraten te verteren. Het ene zetmeel uit graan wordt sneller in kleine deeltjes afgebroken en daarna verbrand dan het andere.

Dat komt, omdat het sommige zetmeelsoorten uit meer vertakkingen bestaan. Zodoende ontstaat er ook een snellere of een veel geleidelijkere opname van deze voedingstoffen.

Duiven vliegen slechts de eerste 10 minuten op glycogeen. Dat zijn de suikers, die zijn opgeslagen in de witte spieren. In de rode spieren worden de vetten opgeslagen.

Als de glycogeen uit de witte spieren opgebruikt zijn, schakelt de duif over op de suikers die zich nog in de lever en in het bloed bevinden. Er kan maximaal 1 uur worden gevlogen met deze suikers en de aanwezige  “bloedvetten”.

Als er zich vooral “snelle suikers”in het bloed bevinden (zoals dextrose) zal er een snelle en korte verbrandding plaatsvinden. Als er vooral langzaam opneembare suikers aanwezig zijn, zal de verbranding gelijkmatiger en dus gedurende langere tijd verlopen.

Vliegen op koolhydraten levert de hoogste snelheid op. Het is dus van belang zo lang mogelijk die hogere snelheid vast te kunnen houden, om zo uiteindelijk langer snel te kunnen vliegen. Dat levert tijdsvoordeel op. Daarom heeft Backs in zijn programma met deze wetenschap rekening gehouden.

Willem Mulder.